Gestopt met anticonceptie, en na drie maanden nog niets. Is dat normaal? Meestal wel. De cijfers uit grote onderzoeken zijn geruststellender dan de verhalen op fora, en ze laten ook zien wanneer het zinvol is om iets te laten nakijken.
De cijfers
In een Duits onderzoek volgden Gnoth en collega's (2003) 346 vrouwen die hun cyclus bijhielden en gericht probeerden zwanger te worden. Van de vrouwen die uiteindelijk zwanger werden:
| Zwanger binnen | Percentage |
|---|---|
| 1 cyclus | 38 % |
| 3 cycli | 68 % |
| 6 cycli | 81 % |
| 12 cycli | 92 % |
De kans per cyclus is dus ongeveer 25 tot 30 procent, en na een jaar heeft ruwweg een op de tien stellen nog geen zwangerschap. Van die groep wordt een deel in het tweede jaar alsnog spontaan zwanger.
De rol van leeftijd
Dunson en collega's (2004) berekenden uit een Europees cohort de kans op zwangerschap binnen een jaar bij twee keer per week gemeenschap: rond 92 procent voor vrouwen van 19 tot 26 jaar, en rond 82 procent voor vrouwen van 35 tot 39 jaar. De daling is dus reëel maar geleidelijk, en ook de leeftijd van de man telt mee: bij een partner boven de 40 daalt de kans verder. Wat wél sterker daalt met de leeftijd, is de kans dat een zwangerschap doorgaat: het miskraamrisico neemt toe na 35.
Timing is het halve werk
Het klassieke onderzoek van Wilcox en collega's (NEJM 1995) liet zien dat vrijwel alle zwangerschappen ontstaan uit gemeenschap in een venster van zes dagen dat eindigt op de dag van de eisprong. De kans is het grootst in de twee dagen ervoor; op de dag ná de eisprong is hij vrijwel nul. Wie alleen "rond dag 14" plant bij een cyclus van 32 dagen, mist het venster structureel. Ovulatietesten of het volgen van slijm en temperatuur helpen om het venster te vinden.
Wanneer laat je iets nakijken?
De Britse NICE-richtlijn adviseert onderzoek na een jaar proberen, en eerder, na zes maanden, als je 36 of ouder bent of als er een bekende reden is: een erg onregelmatige cyclus, een eerdere buikoperatie, chlamydia in het verleden of een bekende aandoening bij je partner. Wachten is dan geen beleid meer.
Welke bloedwaarden helpen als eerste
- Progesteron in de tweede cyclushelft om te bevestigen dat er een eisprong is. In het Noorse HUNT3-onderzoek was in ruim een derde van de cycli met normale lengte geen eisprong aantoonbaar; dat is de meest voorkomende, en meest behandelbare, verklaring.
- FSH, LH en oestradiol op dag 2 tot 5 voor een beeld van de eierstokfunctie.
- TSH en prolactine, omdat een trage schildklier of een verhoogd prolactine de eisprong kan onderdrukken.
- AMH als je wilt weten hoe groot je reserve is, vooral bij twijfel over uitstel of een ivf-traject.
Een zaadonderzoek voor je partner hoort er vanaf de eerste stap bij: bij ongeveer de helft van de stellen speelt een factor bij de man mee.
Samengevat
Drie maanden zonder zwangerschap is normaal, een jaar is de grens om hulp te zoeken, en boven de 36 een half jaar. Tot die tijd zijn de beste investeringen: het vruchtbare venster kennen, foliumzuur slikken, niet roken, en bij twijfel één bloedafname om te zien of er een eisprong is.
Bronnen
- Gnoth C, Godehardt D, Godehardt E, Frank-Herrmann P, Freundl G. Time to pregnancy: results of the German prospective study and impact on the management of infertility. Human Reproduction. 2003;18(9):1959–1966. doi:10.1093/humrep/deg366
- Dunson DB, Baird DD, Colombo B. Increased infertility with age in men and women. Obstetrics & Gynecology. 2004;103(1):51–56. doi:10.1097/01.AOG.0000100153.24061.45
- Wilcox AJ, Weinberg CR, Baird DD. Timing of Sexual Intercourse in Relation to Ovulation: Effects on the Probability of Conception, Survival of the Pregnancy, and Sex of the Baby. New England Journal of Medicine. 1995;333(23):1517–1521. doi:10.1056/NEJM199512073332301
- Prior JC, Naess M, Langhammer A, Forsmo S. Ovulation Prevalence in Women with Spontaneous Normal-Length Menstrual Cycles: A Population-Based Cohort from HUNT3, Norway. PLoS ONE. 2015;10(8):e0134473. doi:10.1371/journal.pone.0134473
- National Institute for Health and Care Excellence. Fertility problems: assessment and treatment. Clinical guideline CG156. 2013, geactualiseerd 2017.